Dutch words or phrases or grammar learned March 7, 2017

Duolingo

het ei = the egg

de kip = the chicken

het bord = the plate

de koffie = the coffee

de wijn = the wine

de vis = the fish

de sinaasappel = the orange

het fruit = the fruit

de pasta = the pasta

de kaas = the cheese

de suiker = the sugar

het ontbijt = the breakfast

de lunch = thevlunch

het middageten = the lunch

het rundvlees = the beef

de aardbei = the strawberry

de citroen = the lemon

het bier = the beer

de tomaat = the tomato

de soep = the soup

de limoen = the lime

het eten = the food

het vlees = the meat

de thee = the tea

vegetariër = vegetarian

het avondeten = the dinner

de maaltijd = the meal

het varkensvlees = the pork

de groente = the vegetable

het zout = the salt

de olie = the oil

de honger = the hunger

de banaan = the banana

de peper = the pepper

lekker = tasty

de dorst = the thirst

Memrise

gelukkig = happy

verdrietig = sad

boos = angry

fout = wrong

juist = right

moe = tired

ziek = sick

de honger = the hunger

de dorst = the thirst

hebben = to have

ik heb = I have

heb je? = do you have?

ben je? = are you?

ik ben gelukkig = I’m happy

je bent gelukkig = you’re happy

ben je gelukkig? = are you happy?

het fout hebben = to be wrong

heb ik het fout? = am I wrong?

ik heb honger = I am hungry

heb je dorst? = are you thirsty?

Leave a Reply